Wat is dat toch met ons?

Telefoon. Iemand wil mij binnen een half uur ontmoeten op kantoor. Ik zeg ‘ja, dat is goed’ en beëindig het gesprek. Meteen daarna schiet ik in paniek. Mijn auto heb ik deze ochtend net naar de garage gebracht voor de jaarlijkse onderhoudsbeurt.

Hoe kom ik daar nu? Er gaat nauwelijks een bus.

Ik besluit optimistisch mijn al meer dan een jaar niet gebruikte fiets uit de schuur te slepen en pomp de lege banden weer wat leven in. Enthousiast stap ik op. Maar oei, valt die wind even tegen. En mijn lastige knie is ook nu, een jaar later, nog lastig. Uitgeput haal ik kantoor. Bezweet en beroofd van elke illusie omtrent mijn conditie ben ik net op tijd voor mijn afspraak. Een drukke werkdag volgt.

Om 5 voor 5 is er het verwachte telefoontje: mijn auto staat klaar. Ook nu is de bus net weg en de volgende komt over een uur als de garage al gesloten is. Ik bel een taxibedrijf, maar ben nummer 5 in de wachtrij. Nog een. ‘Nee, sorry mevrouw, we zijn heel druk nu met al die Schipholritjes.’ Nummer 3 neemt zelfs niet op. De moed zinkt me in de schoenen. De garage is nog twee keer verder dan de afstand huis-kantoor. De fiets lijkt mijn enige optie, maar daar wil ik nog niet aan. Nog maar een taxinummer proberen. De stem die opneemt klinkt aardig. Ik stel me voor, meld waar ik ben en waarheen ik wil. Al half verwacht ik te worden teleurgesteld, maar in plaats daarvan zegt de aardige jongeman met een allerhartelijkste stem: ‘Natuurlijk hoor, dat gaat vast lukken. Ik ben met ongeveer een kwartiertje bij u.’ Aangenaam verrast ga ik lekker buiten zitten en geniet van het zomerzonnetje.

Nog geen kwartier later rijdt een prachtige zwarte auto voor waaruit een donkerbebaarde jongeman stapt, die met een grote glimlach en een galant gebaar de deur van de taxi voor mij openhoudt. ‘Dag mevrouw Beumer, ik dacht al dat u het was. Ik herkende uw stem meteen.’

Enigszins schuldbewust wegens het gebrek aan herkenning bij mij gluur ik via de spiegel naar zijn gezicht. En terwijl hij hard begint te lachen weet ik het ineens. ‘Ach T.! Oh, wat leuk om jou na al die jaren weer te zien.’

Vreugde en verwarring strijden bij mij om voorrang. T., een briljant Koerdisch vluchtelingenkind dat ik in de vroege jaren ’90 leerde kennen, vlak na zijn heftige vlucht voor het toenmalige Iraakse bewind.

Je kwam samen met je ouders naar Nederland. Je speelde graag met mijn zoon, bij wie je een tijdje in de klas zat. Als je bij ons overbleef legde je me geduldig uit wat je wel en niet mocht eten en hoe dat werkte in jouw geloofstraditie. Daarbij was je flexibel en tolerant (‘hamburger 100% rundvlees mag, niet Halal is wel jammer, maar niet zo erg voor een keer’) en graag bereid ons in te wijden. Onze piano had een grote aantrekkingskracht op je. En toen je erachter neerstreek en Brahms en Mozart door onze huiskamer liet klinken, waren wij helemaal onder de indruk. ‘Van mijn oma geleerd’, zei je. Verder praatte je nooit over je verleden.

Na de middelbare school raakte je uit beeld. Je ging studeren, rechten als ik me goed herinner.

En nu ontmoet ik je weer, twintig jaar later, als taxichauffeur. Tijdens de rit praat je vijf kwartier in een uur, alsof je alle jaren wilt inhalen. Ja, je hebt je studies (inderdaad rechten en communicatie wetenschappen) afgemaakt. Maar ondanks veel uitnodigingen voor gesprekken lukte het niet in Nederland een baan te vinden. Deels omdat je net op het hoogtepunt van de crisis op de arbeidsmarkt kwam. Deels doordat je, behorend bij de top van de sollicitanten, in de laatste ronde het steeds net niet werd. Nee, je wilt daar niet meteen een etiket opplakken, zeg je. Je bent een positief mens. Nu rijdt je in deze taxi, zelfstandig, dat wel. Maar je zegt dat dit niet lang meer zal duren. Je hebt besloten te gaan emigreren. ‘Ik wil een toekomst opbouwen’, zeg je. ‘Dat lukt niet hier in Nederland’.

Ik neem het hele verhaal in met plaatsvervangende schaamte. Wat is er toch mis met ons, vraag ik me af, dat we zo’n hartelijke, intelligente, sociaal vaardige, afgestudeerde, getalenteerde jongeman hier geen toekomst kunnen bieden? Wat een ‘kapitaalsvernietiging’. Want hebben we als samenleving niet veel in hem geïnvesteerd?

We zijn bij de garage. We wisselen geld, bonnetje en e-mailadressen uit. Hij wil graag contact houden, zegt hij. ‘Bij u en uw gezin heb ik me altijd zo welkom gevoeld.’ Hij rijdt vrolijk zwaaiend weg.

Ik sta daar op de stoep en opeens stromen de tranen me over mijn wangen. Het compliment kan ik nauwelijks innemen, daarvoor overheerst nog teveel de schaamte. Ik voel een groot verlies.

Alles weten over BrandNewWay?
Volg BrandNewWay op: